Home | Sitemap | Contact | Zoeken
Koop en levering | Kopen en gaan samenwonen | Hypotheken | Erfdienstbaarheden | Erfpacht | Veiling

Toelichting bij partnerverklaring ook wel weduweverklaring of opdrachtverklaring. (Model Rabobank)

Als de aankoop van de woning hypothecair gefinancierd wordt zal veelal tevens een gemengde verzekering worden afgesloten die meestal na 30 jaar recht geeft op een uitkering bij in leven zijn en die bij eerder overlijden eveneens uitkeert.
Voor de bank is die constructie ook aantrekkelijk omdat op die manier de aflossing van de lening verzekerd is.
Uiteraard wil de bank voorkomen dat de langstlevende de uitkering gebruikt om bijvoorbeeld een langdurige wereldreis te maken, waarbij de aflossing van de lening op de lange baan wordt geschoven.
Daarom zal de bank ervoor zorgen dat de polis aan de bank wordt verpand en dat de bank als begunstigde voor de uitkering wordt aangewezen, zowel voor de uitkering op de einddatum als ook voor de uitkering bij eerder overlijden.
Omdat de verzekeringsuitkering bij overlijden in principe met successierecht wordt belast is het van belang te weten wie van de nabestaanden geacht wordt die uitkering te ontvangen. Daarbij is van belang dat de begunstiging hierbij maatgevend is.

Het volgende voorbeeld geeft een en ander cijfermatig weer: Steeds is sprake van een erflater die een echtgenoot en twee kinderen nalaat en die in gemeenschap van goederen was gehuwd terwijl er geen testament is (tarief 2007). De boedel is als volgt samengesteld:

huis300.000
hypotheek300.000
overige bezittingen60.000
saldo60.000


A. Er is geen verzekering afgesloten:
gemeenschap van goederen is per saldo60.000
nalatenschap is de helft =30.000
ieders erfdeel is 1/3 is ieder10.000
Er is geen successierecht verschuldigd.

B. Er is een verzekering die tot uitkering komt van 300.000; de polis is aan de bank verpand en de bank is als begunstigde aangewezen.
Het gevolg is dat de hypotheekschuld van 300.000 wordt afgelost en de gemeenschap van goederen nu bedraagt360.000
nalatenschap is de helft =180.000
ieders erfdeel is 1/3 60.000
per kind verschuldigd aan successierecht (los van een vrijstelling bij kinderen tot 23 jaar van minimaal 10.000)4.773
dus samen9.546
de langstlevende blijft vrij van successierecht.

C. Als de begunstiging op naam van de langstlevende gesteld zou zijn loopt de successieheffing anders omdat ieders verkrijging dan verandert.

De hypotheek wordt in eerste instantie niet met de uitkering afgelost zodat ieder net als in voorbeeld A 10.000 krachtens erfrecht ontvangt
ieder kind blijft vrij van successierecht
de langstlevende ontvangt 310.000
dat blijft eveneens vrij van successierecht
(tenzij er in dit voorbeeld een pensioen van meer dan 42.000 per jaar wordt verkregen door een langstlevende tussen de 30 en de 40 jaar).

De bank gaat alleen met onderdeel C akkoord als de langstlevende zich verplicht de uitkering aan te wenden om daarmee de hypotheek af te lossen.
In het formulier verpanding is dit onder punt 3a opgenomen.
In het formulier opdracht tot betaling van verzekeringsuitkeringen wordt aan de verzekeringsmaatschappij opdracht gegeven de uitkering aan de bank te betalen in mindering op de vordering die de bank op de debiteur heeft.
Het lijkt dus of oplossing C altijd het voordeligst is, doch dat behoeft niet zo te zijn.

Het kan zijn dat het bij het eerste overlijden bespaarde successierecht bij overlijden van de langstlevende in een nadeel omslaat omdat dan de verkrijgingen van de kinderen groter zijn dan in voorbeeld 2 het geval geweest zou zijn. Dus als je op beide nalatenschappen acht slaat. Dat argument is onbelangrijk als belastingbesparing bij het eerste overlijden vooropstaat.

Het kan voorts zo zijn, met name bij grotere verzekeringsuitkeringen, dat de langstlevende meer verkrijgt dan de successievrijstelling, met name omdat een deel van het eventuele nabestaandenpensioen in mindering op de vrijstellling komt. Dan zou het juist prettiger geweest zijn als de uitkering verdeeld was over de langstlevende en de kinderen zoals in voorbeeld B, vanwege de progressie in het successietarief.

Het is ook denkbaar dat bij aanwezigheid van huwelijkse voorwaarden/partnerschapsvoorwaarden, of bij ongehuwden en niet geregistreerde partners in de verzekeringspolis een zogenaamde premiesplitsingsclausule (zie hierna) is opgenomen, waardoor onder omstandigheden de hele uitkering is vrijgesteld van successierecht. Dan zou er juist geen opdrachtverklaring moeten zijn. Bij het eerste overlijden is er toch geen successierecht verschuldigd en bij het overlijden van de langstlevende zullen de kinderen in voorbeeld B een grotere vordering op de langstlevende hebben zodat er dan minder successierecht bij dit tweede overlijden wordt betaald.

Daarnaast wordt ieders erfrechtelijke verkrijging ook nog beïnvloed door het al dan niet aanwezig zijn van een testament, waarin de erfdelen gewijzigd kunnen zijn of waarin legaten gemaakt kunnen zijn, hetgeen ook weer gevolgen voor het verschuldigde successierecht heeft.

Als er geen sprake is van eerder overlijden wordt op een gegeven moment met de kapitaaluitkering ook de schuld afgelost. Omdat er dan geen overlijden is is er dan ook geen successierecht. Echter de gelden behoren wel tot de gemeenschap dus bij een overlijden daarna zal de nalatenschap dus ook groter zijn, net zoals in situatie B.

De conclusie is dat niet eenvoudig is vast te stellen of het al dan niet tekenen van de opdrachtverklaring voordelig dan wel nadelig voor de successieheffing zal uitvallen, waarbij tevens de definiëring van die termen nog afhankelijk is van de vraag of alleen het eerste overlijden in aanmerking wordt genomen of dat het totale successierecht bij twee nalatenschappen wordt bezien.

Als partijen getrouwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben of als er bij ongehuwden een verblijvingsbeding in het samenlevingscontract is opgenomen omtrent het op beider naam staande huis zal de verzorging van de langstlevende civielrechtelijk over het algemeen wel in orde zijn. Verzorging van de langstlevende middels de opdrachtverklaring speelt dan in situaties dat men niet gehuwd is en er geen verblijvingsbeding met betrekking tot het huis bestaat.

Tevens is dan de premiesplitsingsclausule op de polis weer belangrijk.

Als het onduidelijk is of het al dan niet tekenen van de opdrachtverklaring de voorkeur verdient, moet worden bedacht dat in het nieuwe verzekeringsrecht niet voldoende is om alleen de begunstigde te zijn; op het moment dat het recht op de uitkering ontstaat, moet de begunstigde de begunstiging ook nog aanvaarden. Op dat moment kan dan altijd nog besloten worden niet te aanvaarden, waarna de bank weer de begunstigde is en we weer in situatie B belanden. In het omgekeerde geval als er geen verklaring is getekend, kan je na een overlijden niet alsnog een verklaring ondertekenen om in situatie C te belanden. Dat pleit ervoor om bij twijfel de verklaring te tekenen.

Er kan ook een niet-fiscale reden zijn om de opdrachtverklaring te ondertekenen. We hebben gezien dat zonder opdrachtverklaring de erfdelen van de kinderen groter zijn. Kinderen ontvangen hun erfdeel over het algemeen in de vorm van een vordering opeisbaar bij overlijden van de langstlevende. Stel nu dat er een grote overlijdensrisicoverzekering is en heel jonge kinderen. Als een ouder overlijdt, zullen die kinderen dan grote vorderingen op de langstlevende ouder krijgen. De langstlevende ouder gaat een nieuwe relatie aan, waarbinnen de kinderen opgroeien en verzorgd worden eventueel met andere of nieuw geboren kinderen. Als dan de oorspronkelijk langstlevende ouder overlijdt, worden de vorderingen van de voorkinderen op de dan langstlevende opeisbaar. Die moet wellicht het huis te gelde maken waarin die langstlevende de afgelopen 15 jaar de kinderen mede heeft opgevoed. Dat zou er voor kunnen pleiten de erfdelen van de kinderen niet kunstmatig op te kloppen door ze mee te laten doen in de verzekeringsuitkeringen.

Voorlichting over het al dan niet tekenen van de opdrachtverklaring kan bij de notaris worden verkregen in het kader van bespreking van testamenten, huwelijkse voorwaarden of samenlevingscontract. Er moeten dan zoals hiervoor al bleek heel wat punten worden bekeken om tot een gefundeerd advies te komen. De daaraan bestede tijd wordt door de notaris wel in rekening gebracht.

Premiesplitsingsclausule

Deze term wordt gebruikt voor een afspraak in een verzekeringspolis die erop neerkomt dat steeds de begunstigde voor de uitkering bij overlijden tevens de premieplichtige is. Zijn man en vrouw beide verzekerd dan zal dus de man de schuldenaar jegens de maatschappij zijn voor de verzekering op het leven van de vrouw en omgekeerd.
Het nut van deze constructie is dat daarmee kan worden bewezen dat bij een overlijden de erflater niets betaald blijkt te hebben voor de verzekeringsuitkering die de langstlevende ontvangt.
Het nut van dit bewijs is weer gelegen in artikel 13 van de successiewet. Dit artikel bepaalt namelijk dat een verzekeringsuitkering ten gevolge van een overlijden met successierecht is belast tenzij voor de verkrijging niets aan het vermogen van de erflater is onttrokken.

Het lijkt wellicht op een gezelschapsspel maar zoals vaak in het fiscale recht wordt, mits de regels goed worden toegepast, dit spel ook door de fiscus gevolgd.

We zijn er nog niet want het mag ook niet zo zijn dat via een omweg de erflater achteraf bezien toch weer geacht wordt meebetaald te hebben.
Zo kan bij algehele gemeenschap van goederen de premiesplitsingsclausule wel zijn overeengekomen, maar dat helpt niet omdat de premies noodzakelijkerwijze betaald worden met gelden van die huwelijksgemeenschap, zodat beide partners geacht worden te hebben meebetaald.

Als de partners niet gehuwd zijn is er ook geen gemeenschap van goederen. Dan hebben we dus dezelfde situatie als gehuwd zijn buiten gemeenschap van goederen.
Ook hier kan het overigens nog fout gaan als de partners zouden hebben afgesproken dat die premies tot de kosten van hun huishouding behoren, welke kosten ze immers volgens een of andere verdeelsleutel weer samen moeten betalen. In huwelijkse voorwaarden, partnerschapsvoorwaarden of samenlevingscontracten wordt daarom meestal expliciet afgesproken dat dit soort premies niet tot de kosten van de huishouding behoren en ten laste van de begunstigde komen.
In met name oudere huwelijkse voorwaarden kan het dan alsnog mislopen als deze premies niet zijn uitgezonderd van een periodiek of finaal verrekenbeding.

Als al het vorenstaande is nagevolgd doet het wat merkwaardig aan dat de Belastingdienst dan niet meer in de feitelijke betaalstromen is geïnteresseerd. Er zijn zoveel verrekeningen tussen de partners dat daar nooit meer uit te komen valt. De jaren bestaan hebbende praktijk met het kruislings betalen is daarmee komen te vervallen. De conclusie is derhalve dat de juiste constructie maatgevend is geworden en niet het feitelijke gebeuren.

Omhoog